Wat is pancreatitis bij katten en hoe vaak komt het voor?
De alvleesklier (pancreas) is een orgaan dat een grote rol speelt in de spijsvertering en de bloedsuikerregulatie. Het maakt spijsverteringsenzymen aan die normaal pas in de darm actief worden. Bij een ontsteking van de alvleesklier, pancreatitis, worden deze enzymen te vroeg geactiveerd. Deze stofjes worden dan in de alvleesklier zelf al actief, waardoor het orgaan zichzelf en het omliggende buikvet begint te verteren. Dat klinkt dramatisch, en dat is het ook.
Vroeger dachten we dat pancreatitis bij de kat redelijk zeldzaam was, maar nieuwe onderzoeken laten zien dat het veel vaker voorkomt. Zo bleek uit een onderzoek bij overleden katten dat een patholoog bij maar liefst 66% een vorm van pancreatitis kon terugvinden. Zelfs 45% van de ogenschijnlijk gezonde katten bleek in meer of mindere mate een ontstoken alvleesklier te hebben. Dit roept de vraag op of er een grote groep katten rondloopt met sluimerende, subklinische pancreatitis.
Pancreatitis kan bij elke kat voorkomen. Er zijn geen specifieke rassen waarvoor bekend is dat ze er gevoeliger voor zijn dan andere katten. In tegenstelling tot bij de hond, zien we bij katten geen verband tussen voeding en het optreden van pancreatitis. In meer dan 95% van de gevallen blijft de oorzaak onbekend: we noemen dit idiopathische pancreatitis.
Welke klachten heeft een kat met pancreatitis?
De klachten van pancreatitis bij katten zijn niet specifiek en kunnen er vaag zijn. De meest voorkomende verschijnselen zijn:
- Lusteloosheid
- Verminderde eetlust of anorexie
- Braken
- Gewichtsverlies
- Diarree
Bij lichamelijk onderzoek zijn uitdroging en ondertemperatuur de meest gevonden bevindingen. Buikpijn, bij mensen een klassiek symptoom, wordt bij katten slechts in 10–30% van de gevallen opgemerkt. Dat betekent niet dat de pijn er niet is. Katten verbergen pijn van nature goed en dat kan verklaren waarom het percentage laag uitvalt.
Het verraderlijke van bovenstaande klachten is dat ze ook bij tientallen andere aandoeningen kunnen passen. Denk bijvoorbeeld aan nierziekte, leveraandoeningen, darmontsteking, suikerziekte. Pancreatitis gaat bovendien vaak samen met andere ziekten, de zogenaamde ‘triaditis‘, waarbij de alvleesklier, lever en darm tegelijk ontstoken zijn.
Hoe wordt pancreatitis bij katten vastgesteld?
De diagnose stellen is een van de grootste uitdagingen bij pancreatitis. Er bestaat geen enkele test die het met zekerheid bewijst of uitsluit. Daarom is het belangrijk om te kijken naar een combinatie van ziekteverschijnselen, bloedwaarden en de uitslag van een buikecho.
Algemeen bloedonderzoek toont vaak afwijkingen, maar die zijn helaas niet specifiek voor een alvleesklierontsteking. Denk bijvoorbeeld aan verhoogde leverwaarden, nierproblemen, elektrolytenstoornissen of een toename in witte bloedcellen. Dat betekent niet dat een algemeen bloedonderzoek niet nuttig is: het kan helpen met het uitsluiten van andere ziektes of het vaststellen van complicaties. De meest waardevolle test voor het alvleesklier zelf is de meting van feline pancreas specifieke lipase (fPL, spec fPL of fPLI). Dit is de meest specifieke en gevoelige bloedtest voor pancreatitis. Toch is ook deze test niet perfect: milde vormen van pancreatitis kun je er mee missen en een positieve uitslag kan ook worden gezien bij bijvoorbeeld een darmontsteking. Andere bloedtesten, zoals lipase en DGGR-lipase, zijn niet betrouwbaar genoeg om pancreatitis te bevestigen of uit te sluiten. Bepaling van de TLI, trypsin-like-immunoreactivity, is niet zinvol om pancreatitis te onderzoeken. Het is wel verstandig om deze test aan te vragen als er mogelijk exocriene pancreas insufficiëntie (EPI) is ontstaan als gevolg van pancreatitis.
Echografie van de buik is onmisbaar bij het onderzoek naar pancreatitis bij katten. Typische bevindingen voor een acute pancreatitis zijn een vergrote, donkergekleurde alvleesklier met rondom ontstoken vetweefsel. Bij een chronische pancreatitis kan de alvleesklier juist witter of gemengd van kleur zijn op de echo en bovendien kan het oppervlak er wat onregelmatig uitzien. Het buikvet oogt bij een chronische pancreatitis vaak niet of veel minder ontstoken dan bij een acute pancreatitis. De gevoeligheid voor echo bij het vaststellen varieert sterk, tussen de 11 en 67%, en is afhankelijk van de ernst van de ontsteking en de ervaring van de echograaf. Een normale echo sluit pancreatitis niet uit.
In sommige gevallen kan weefselonderzoek via een biopt uitsluitsel geven, maar dit vereist een (kijk)operatie. De diagnose stellen via biopten kent ook onzekerheden: de ontsteking is bij katten vaak niet in de hele alvleesklier aanwezig, maar verspreid over verschillende kleinere ontstekingshaarden. Hierdoor kan een biopt van één plek een vals-negatief resultaat kan geven.
Acute versus chronische pancreatitis bij de kat: wat is het verschil?
Pancreatitis bij katten kent twee hoofdvormen.
- Bij acute pancreatitis is de ontsteking in principe volledig omkeerbaar. De symptomen zijn vaak ernstiger: de kat is ziek, uitgedroogd en heeft soms levensbedreigende complicaties zoals shock, bloedstollingsstoornissen of nierfalen. Acute pancreatitis kan zo ernstig verlopen dat een kat eraan overlijdt. Uit onderzoek blijkt dit bij 9 tot 41% van de katten met acute pancreatitis te gebeuren, afhankelijk van de ernst.
- Chronische pancreatitis leidt tot onomkeerbare weefselschade: fibrose (littekenweefsel) en verlies van het klierweefsel. Dit verloopt vaak sluipend, met milde klachten die komen en gaan. Op de lange termijn kan chronische pancreatitis leiden tot exocriene pancreasinsufficiëntie (slechte vertering van voedsel) doordat verteringsenzymen niet worden gemaakt of diabetes mellitus (suikerziekte) doordat het hormoonproducerende weefsel wordt aangetast.
Het onderscheid tussen beide vormen is soms nauwelijks te maken. Dat maakt het des te belangrijker om altijd naar het gehele plaatje te kijken.
Hoe wordt pancreatitis bij katten behandeld?
De behandeling van acute pancreatitis is voornamelijk ondersteunend en symptomatisch, gericht op vier pijlers:
- Infuus is belangrijk om uitdroging en lage bloeddruk te behandelen, verstoringen in de zoutbalans te corrigeren, en om de pancreas goed doorbloed te houden.
- Pijnbestrijding is essentieel, zelfs als katten geen buikpijn lijken te hebben. Buprenorfine is vaak een goede pijnstiller bij milde tot matige pijn, terwijl bij ernstigere gevallen bijvoorbeeld beter voor methadon of fentanyl kan worden gekozen.
- Medicijnen tegen misselijkheid, zoals maropitant, zijn onmisbaar voor katten met pancreatitis die braken of niet willen eten. Soms leidt een pancreatitis tot een vertraagde maaglediging (gastroparese) of verminderde motiliteit van de darmen. Dan kunnen medicijnen als metoclopramide of cisapride helpen.
- Dwangvoeren, eventueel via een sonde, is erg belangrijk als een kat met pancreatitis niet vrijwillig begint te eten. Als katten een tijdje niet eten, kan dat namelijk leiden tot leververvetting. Het kan ook helpen om een eeltustopwekker te gebruiken, zoals mirtazapine, om de eetlust weer op gang te brengen.
Antibiotica worden alleen gegeven bij bewezen of zeer waarschijnlijke infectie, zoals een abces in de alvleesklier of bloedvergiftiging (sepsis). Corticosteroïden, zoal prednison, zijn bij acute pancreatitis in principe niet geïndiceerd. Maagzuurremmers hebben geen toegevoegde waarde, tenzij er een maag- of darmzweer is vastgesteld. Alvleesklierenzymen zijn alleen zinvol als er sprake is van EPI.
De aanpak van chronische pancreatitis is complexer en bovendien minder uitgebreid wetenschappelijk onderzocht. In de basis is het vrij vergelijkbaar met de behandeling van acute pancreatitis. Maar omdat een chronische pancreatitis vaak minder heftige klachten veroorzaakt, gebeurt de behandeling vaak thuis en met minder (zware) medicijnen. Voor pijnbestrijding op de lange termijn kan bijvoorbeeld worden gekozen voor gabapentine of tramadol. Als er een vermoed bestaat dat de ziekte het gevolg is van een ontregeld immuunsysteem, dan kunnen medicijnen als prednison of ciclosporine worden ingezet. Omdat chronische pancreatitis ook gelijktijdig met andere ziektes kan optreden, zoals bij triaditis, moet ook de behandeling van die andere ziektes niet worden vergeten. Datzelfde geldt voor complicaties, zoals EPI en suikerziekte.
Wanneer vraag je een internist om advies over pancreatitis bij de kat?
Pancreatitis bij katten is een aandoening waarbij de diagnose soms lastig te stellen is, de behandeling maatwerk vraagt en bijkomende ziekten de zaak compliceren. Als je kat al langer ziek is, als de klachten terugkeren, als de diagnose onzeker blijft of als je twijfelt of de behandeling optimaal is, dan is een specialistische blik verstandig. Via een digitaal consult kun je de situatie aan mij voorleggen. Ik kijk graag met je mee en voorzie je van een helder advies.
Hoe maak ik een afspraak?
- Een e-mailconsult vraag je eenvoudig aan door het digitale aanvraagformulier in te sturen. Je krijgt binnen drie werkdagen antwoord van Bart.
- Een videoconsult kun je via de website inplannen op een moment dat het jou uitkomt.
Veelgestelde vragen over pancreatitis bij de kat
Verschillende onderzoeken laten zien dat 9 tot 41% van de katten met een ernstige, acute pancreatitis doodgaat aan de ziekte. Gelukkig wordt de zorg steeds beter, waardoor de prognose steeds beter is. Katten met een acute, maar mildere ontsteking herstellen meestal volledig. Een chronische pancreatitis is niet te genezen, maar over het algemeen wel goed te managen.
Er is geen bewijs dat specifiek voer, zoals een vetrijke maaltijd, schadelijk is voor katten. In principe mag een kat met pancreatitis dus alles eten wat hij wil. Het allerbelangrijkste is dat hij het lekker vindt, want langdurig niet of slecht eten kan leiden tot leververvetting. Katten die langdurig niet eten moeten daarom voeding krijgen via een voedingssonde. Als je dierenarts vermoed dat je kat ook last heeft van een voedselovergevoeligheid, dan is het verstanding om een hypoallergeen dieet te geven.
Katten verbergen pijn goed. Het is daarom belangrijk om goed op subtiele signalen te letten: ineengedoken zitten, verstoppen, weinig bewegen, niet willen eten, tandenknarsen, veranderd gedrag, een gespannen buik. Bij twijfel zou een proefbehandeling met een pijnstiller kunnen worden gegeven, om te zien of je kat zich daarna beter lijkt te voelen.
Pancreatitis is een ontsteking van alleen de alvleesklier. Triaditis is de gelijktijdige ontsteking van de alvleesklier, lever (cholangitis) en darmen (chronische darmontsteking). Dat komt bij katten regelmatig voor. Bij triaditis is het belangrijk om alle ontstoken organen te behandelen, niet alleen de alvleesklier.
