Poeptransplantatie hond en kat

In het kort
Een poeptransplantatie is een behandeling waarbij de ontlasting van een gezonde donor wordt overgebracht naar de darmen van een zieke hond of kat. Het doel is om de balans van de darmflora te herstellen en zo de gezondheid te verbeteren. Een poeptransplantatie is een veelbelovende nieuwe behandeling voor honden en katten met darmproblemen.

Snel verder naar

Darmflora

Het maagdarmkanaal wordt bewoond door een enorm aantal micro-organismen. Dit zijn vooral bacteriën, maar er leven ook virussen, parasieten, gisten en schimmels. Samen vormen zij het microbioom, beter bekend als de darmflora. Een gezonde darmflora is onmisbaar voor onder meer het verteren van eten, trainen van het afweersysteem en wegjagen van schadelijke ziekteverwekkers. Als de darmflora uit balans raakt (dysbiose), kan dit leiden tot een chronische darmontsteking. 

Honden en katten met een chronische darmontsteking hebben vaak een verstoorde darmflora. We spreken van chronische darmontsteking als de klachten (zoals slecht eten, overgeven, diarree, afvallen) langer dan drie weken aanwezig zijn of regelmatig terugkeren. De meeste honden en katten met een chronische darmontsteking kunnen goed worden behandeld met speciale voeding of medicijnen; bij hen is de verstoring van de darmflora waarschijnlijk het gevolg van de darmontsteking. Maar bij sommige dieren lijkt de dysbiose ook een deel van de oorzaak. Hun ziekte blijkt dan erg moeilijk te behandelen met gebruikelijke behandelingen, zoals een hypoallergeen dieet en ontstekingsremmers. In zo’n geval kan een poeptransplantatie – of fecale microbiota transplantatie (FMT) – uitkomst bieden. De theorie achter een poeptransplantatie is dat een “zieke” darmflora wordt vervangen door een “gezonde” darmflora. Dit moet leiden tot verdwijnen van de ontsteking en ziekteverschijnselen. 

Effectiviteit

Het is helaas (nog) niet vooraf vast te stellen welke honden en katten baat zullen hebben bij een poeptransplantatie. Wat we wel weten, is dat de kans op succes bij honden groter is wanneer hun darmflora vóór de transplantatie sterk afwijkend is. Omdat er nog relatief weinig wetenschappelijk onderzoek is gepubliceerd over de werkzaamheid van poeptransplantaties, bewaart Bart Ruijter poeptransplantaties hoofdzakelijk voor de volgende patiënten:

  • Puppies met een infectie met het Parvo-virus. Uit onderzoek blijkt dat deze pups sneller opknappen, eerder uit het ziekenhuis worden ontslagen en een kleinere kans hebben om te overlijden aan de ziekte wanneer ze naast de standaard therapie ook een poeptransplantatie krijgen.
  • Honden en katten met een chronische darmontsteking die onvoldoende opknappen met of teveel bijwerkingen ervaren van de gebruikelijke behandelingen, zoals aangepaste voeding, probiotica en ontstekingsremmers. Uit de eerste onderzoeken bij honden blijkt dat ongeveer 75% van de honden in dat geval positief reageert op poeptransplantaties. Dat houdt in dat de symptomen verminderen en/of dat er minder medicijnen nodig zijn om de ziekte onder controle te houden. Voor katten is helaas nog geen overtuigend wetenschappelijk bewijs gevonden dat poeptransplantaties verbetering geven.

Bijwerkingen

De meeste dieren verdragen de behandeling goed. Ongeveer 25% van de honden ervaart tijdelijke (verergering van) maagdarmklachten, zoals buikpijn, overgeven of diarree. In de meeste gevallen herstellen deze dieren binnen enkele dagen vanzelf weer van de bijwerkingen.  

Uitvoering van een poeptransplantatie

Een behandeling door Bart Ruijter ziet er als volgt uit:

  • Intake: in een digitaal consult of tijdens een eerste bezoek zullen we samen bekijken of een poeptransplantatie een geschikte behandeling voor jouw hond of kat is. Soms wordt besloten dat er eerst nog aanvullende onderzoeken of behandelingen wenselijk zijn. Als jouw dier in aanmerking komt voor een transplantatie, dan wordt een afspraak gemaakt voor de eerste behandeling.
  • Voorbereiding: een goede voorbereiding is erg belangrijk. Je hond of kat moet minstens acht uur nuchter zijn. Dat betekent dat hij niet mag eten, maar wel drinken. Honden moeten bovendien net vóór de transplantatie 30-60 minuten worden uitgelaten. Zo proberen we te voorkomen dat er nog ontlasting in de dikke darm aanwezig is op het moment van de transplantatie.
  • Transplantatie: om het transplantaat (een dikke vloeistof) toe te dienen wordt een zachte katheter via de anus in de dikke darm gebracht. Wanneer de katheter op de juiste diepte is, wordt het transplantaat in een paar minuten langzaam ingespoten. De meeste honden accepteren dit zonder narcose. Erg zenuwachtige honden kunnen vóór vertrek naar de kliniek een medicijn krijgen om ze te kalmeren. Als deze medicatie niet helpt, dan kunnen we een lichte verdoving geven. Katten krijgen standaard een lichte verdoving.
  • Na de behandeling: voor een optimaal effect willen we het transplantaat zo lang mogelijk in de darm houden, het liefst de rest van de dag. Om te voorkomen dat jouw hond of kat het direct weer uitpoept, is het advies om de eerste zes uur na de behandeling geen eten te geven en beweging zo veel mogelijk te beperken. Voor honden betekent dit dat ze niet of slechts kort mogen worden uitgelaten. Een kat kun je het beste tijdelijk niet naar buiten laten en eventueel in een bench houden. Mocht jouw huisdier het transplantaat toch snel weer uitpoepen, dan wordt niet direct een nieuwe behandeling gegeven. We kunnen namelijk niet kunnen inschatten hoeveel van het transplantaat is achtergebleven. Als we te snel een tweede behandeling geven, zou dat kunnen leiden tot bijwerkingen. 
  • Het vervolg: binnen één tot drie weken verwachten we de eerste positieve effecten van een transplantatie te merken. Niet altijd slaat de transplantatie direct aan. Bart Ruijter raadt daarom aan om minstens twee tot drie transplantaties te geven, elk met twee tot drie weken tussentijd. Hij zal samen me jou besluiten hoe snel en hoe vaak de transplantaties het beste kunnen worden uitgevoerd.

Wie is de donor?

De donorpoep komt van gezonde honden en katten. Om ervoor te zorgen dat zij geen ongewenste ziektes overbrengen met de poeptransplantatie, worden donoren en hun ontlasting regelmatig uitgebreid onderzocht. Denk hierbij aan lichamelijk onderzoek, bloedonderzoek, urineonderzoek, echografie van de buik, onderzoek van de ontlasting op parasieten en schadelijke bacteriën, en de dysbiose index om te zien of de darmflora in balans is.