Darmflora hond en kat

In het kort
Een gezonde darmflora van zoogdieren bestaat uit talloze bacteriën, virussen, parasieten, gisten en schimmels. De meeste van die micro-organismen hebben een positieve invloed op het lichaam. Door verschillende oorzaken kan de darmflora verstoord raken. Dit wordt dysbiose genoemd en kan worden aangetoond met de dysbiose index. Een verstoring van de darmflora kan leiden tot ziekteverschijnselen bij je hond of kat. Als in zo’n geval normale behandelingen niet aanslaan, kan een poeptransplantatie worden overwogen.

Snel verder naar

De gezonde darmflora

Men schat dat er in het maagdarmkanaal van een hond of kat gemiddeld zo’n 1 tot 100 biljoen micro-organismen leven. In de wetenschap worden zij microbiota genoemd en hun genen en functies worden het microbioom genoemd. Meer dan 98% van deze “beestjes” zijn bacteriën, de rest bestaat uit o.a. virussen, parasieten, gisten en schimmels. Gelukkig zijn niet al die micro-organismen schadelijk voor het lichaam. Integendeel, veel van hen hebben juist positieve effecten. Ze helpen bijvoorbeeld bij de vertering van voedsel, zoals de afbraak van voedingsvezels. Ook beschermen ze het lichaam tegen infecties, bijvoorbeeld door antibacteriële stoffen aan te maken tegen ziekmakende bacteriën of door de darmwand te versterken. Sommige bacteriën hebben een positieve invloed op het immuunsysteem, de stofwisseling of hersenfuncties.

Het is belangrijk dat het lichaam correct onderscheid maakt tussen de “goede” en “slechte” bacteriën, zodat er geen onnodige ontstekingsreacties optreden en de positieve bacteriën hun werk kunnen blijven doen. Afweercellen leren welke bacteriën nuttig zijn en laten hen met rust, terwijl ze bij schadelijke bacteriën direct alarm slaan. Gunstige darmbacteriën helpen op hun beurt het immuunsysteem een handje door specifieke witte bloedcellen te stimuleren die overdreven ontstekingsreacties tegengaan. 

De verstoorde darmflora

Een verstoring van de darmflora wordt dysbiose genoemd. Het meeste onderzoek richt zich op bacteriële dysbiose. Er kan dan sprake zijn van een afname van de diversiteit van de bacteriesoorten (minder verschillende soorten), afname van het totaal aantal bacteriën en/of een verandering in hun activiteit (bijvoorbeeld het verwerken van galzuren). Niet altijd gaat een dysbiose dus gepaard met de aanwezigheid van ziekmakende bacteriën. De meest bekende gevolgen van dysbiose zijn maagdarmklachten, zoals diarree. Maar er wordt ook onderzoek gedaan naar de rol van een (on)gezonde darmflora bij ziektes als epilepsie en suikerziekte.

In de meeste gevallen is een verstoring van de darmflora niet het primaire probleem, maar het gevolg van iets anders, zoals:

  • Antibiotica: deze kunnen positieve bacteriën in de darm doden en hierdoor soms wel weken- tot maandenlange dysbiose veroorzaken. Dit hoeft overigens niet altijd gepaard te gaan met ziekteverschijnselen. 
  • Maagzuurremmers: een belangrijke functie van maagzuur is bescherming bieden tegen schadelijke bacteriën. Door de maagzuurproductie te remmen kunnen (schadelijke) bacteriën gemakkelijker de darm bereiken.
  • Exocriene pancreasinsufficiëntie (EPI): onvoldoende vertering van voedsel kan leiden tot groei van ongewenste bacteriën, afname van goede bacteriën en de productie van stofjes die kunnen leiden tot diarree. 
  • Chronische darmontsteking: een ontsteking in het maagdarmkanaal kan groei van ongewenste bacteriën bevorderen en afname van gunstige bacteriën veroorzaken.

Dysbiose vaststellen

De darmflora kan op verschillende manieren worden getest. Enkele voorbeelden zijn:

  • Bacteriekweek van de ontlasting: dit is alleen nuttig om specifieke bacteriën aan te tonen, zoals Salmonella. Een bacteriekweek is niet betrouwbaar om dysbiose te onderzoeken. 
  • PCR test voor alle verschillende bacteriën: hiermee kan de hoeveelheid DNA van alle verschillende bacteriën in de ontlasting worden gemeten. Dit geeft een idee van de diversiteit en het totale aantal bacteriën. Het is op dit moment nog tijdrovend, kostbaar en de uitslag is soms moeilijk te interpreteren. Het wordt daarom vooral voor wetenschappelijk onderzoek gebruikt.
  • Dysbiose index: ook voor dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van PCR tests in een poepmonster. Echter, voor de dysbiose index wordt maar naar enkele soorten bacteriën gekeken. Hierdoor kan het onderzoek sneller en goedkoper worden uitgevoerd. Het geeft een indruk van de variatie en het totaal aantal bacteriën, wat uiteindelijk wordt samengevat in één getal. In de praktijk is de dysbiose index momenteel de beste test om een verstoring van de darmflora bij honden en katten te onderzoeken.

Interpretatie van dysbiose index

Gezonde honden en katten hebben een dysbiose index <0. Men spreekt van duidelijke dysbiose als er sprake is van een waarde >2 bij de hond of >1 bij de kat. Waarden daartussen kunnen duiden op milde dysbiose. Ook verschuiving van slechts één of enkele bacteriegroepen bij een dier met een waarde <0 kan wijzen op milde dysbiose. 

Verschuivingen van de bacteriegroepen bij dysbiose

BACTERIEHONDKAT
Bacteroides spp.Wordt niet gemeten
Bifidobacterium spp.Wordt niet gemeten
Blautia spp.Wordt niet gemeten
Clostridium hiranonis
E. coli 
Faecalibacterium spp.
Fusobacterium spp.Wordt niet gemeten
Streptococcus spp.
Turicibacter spp.

Wanneer dysbiose index bepalen?

De dysbiose index blijkt een gevoelige test om een verstoring van de darmflora vast te stellen bij honden en katten met een chronische darmontsteking. Maar de darmflora kan ook door andere dingen worden verstoord, zoals medicijngebruik of EPI. Bovendien is het nog onduidelijk of andere ziektes ook invloed kunnen hebben op de testuitslag, zoals (darm)kanker of aandoeningen van de lever en galwegen. Een afwijkende dysbiose index vertelt dat er iets mis is, maar niet wat. Het is daarom niet zinvol om bij iedere hond of kat een dysbiose index te bepalen. Het is wel nuttig bij dieren die in aanmerking komen voor een poeptransplantatie. Ook bij poepdonoren wordt de dysbiose index gebruikt, maar dan om te controleren of hun darmflora gezond is.

Behandeling van dysbiose

Het belangrijkste bij een patiënt met dysbiose is om eerst de onderliggende oorzaak vast te stellen. Men moet niet vergeten om daarbij ook aandacht te schenken aan de voeding. Zo is bijvoorbeeld bewezen dat gezonde honden die een BARF-dieet eten vaak een milde tot ernstige dysbiose hebben. Als medicijnen of voeding niet de oorzaak blijken dan kan verder onderzoek nodig zijn, zoals ontlastingsonderzoek, bloedonderzoek, echografie van de buik en endoscopie van het maagdarmkanaal.

Mogelijke manieren om de dysbiose te behandelen zijn:

  • Onderliggende oorzaak behandelen: een voorbeeld zijn pancreasenzymen bij de ziekte EPI
  • Voeding: licht verteerbare voeding kan helpen als je hond of kat het eten niet goed verteert. Een eliminatiedieet wordt aangeraden als jouw dierenarts of internist denkt dat een voedselovergevoeligheid een rol kan spelen.
  • Prebiotica: dit zijn supplementen die de groei van positieve bacteriën bevorderen. Deze bacteriën kunnen de prebiotica bovendien omzetten in voedingsstoffen voor de darmcellen. Een voorbeeld zijn psylliumvezels.
  • Probiotica: dit zijn medicijnen die positieve bacteriën bevatten. De voorkeur gaat uit naar een middel dat meerdere soorten en grote aantallen bevat (>100 miljard voor een kat of kleine hond en >200 miljard voor een hond van 20 kg).
  • Antibiotica: hoewel antibiotica soms verbetering kunnen geven bij een overmaat aan slechte bacteriën, kunnen ze ook de goede bacteriën beschadigen. Je ziet dan vaak verbetering op de korte termijn, maar aanhoudende problemen op de lange termijn.
  • Poeptransplantatie: dit is een behandeling waarbij de ontlasting van een gezonde donor wordt overgebracht naar de darmen van een zieke hond of kat. Het doel is om de balans van de darmflora langdurig of zelfs permanent te herstellen en zo de gezondheid te verbeteren.