Bloedonderzoek bij je hond of kat: hoe interpreteer je de uitslagen?

Wat betekenen referentiewaarden?

In de bloeduitslag staan de waarden van jouw huisdier. Op vrijwel alle formulieren staan daarachter nog meer getallen: de referentiewaarden. Vaak is dit een interval, bijvoorbeeld tussen 10 en 60. Het referentie-interval is zo opgesteld dat 95% van alle gezonde dieren binnen deze waarden valt. De overige 5% van de gezonde dieren heeft een waarde onder of boven het referentie-interval, terwijl ze wel gezond zijn.

  • Rode of met sterretje gemarkeerde waarden: als de waarde van jouw huisdier buiten de referentiewaarden valt, dan is hij vaak rood in plaats van zwart en/of met een sterretje gemarkeerd.
  • Belangrijk: omdat 2,5% van alle gezonde dieren een waarde onder de referentie heeft en 2,5% van de gezonde dieren een waarde boven de referentie, betekent een afwijking niet automatisch dat er iets met jouw huisdier aan de hand is. Dit geldt vooral als de afwijking maar heel klein is.

De meest voorkomende bloedwaarden uitgelegd

In de interne geneeskunde kijken we vaak naar de combinatie van verschillende waarden:

Nierwaarden (SDMA, kreatinine en ureum)

Deze waarden vertellen hoe goed de nieren – de filters van het bloed – werken. SDMA en kreatinine (CREA) zijn hiervan de meest betrouwbare waarden. De SDMA-waarde kan verhoogd raken vanaf 25-40% verlies van nierfunctie. Kreatinine is daarentegen pas verhoogd bij 75% functieverlies. Kreatinine wordt beïnvloed door spiermassa: bij heel magere dieren kan de waarde wat lager uitvallen en bij heel gespierde dieren juist wat hoger.

Verhoogde nierwaarden kunnen duiden op een acute of chronisch nierziekte. Maar soms zijn de nieren zelf nog kerngezond, zoals bij uitdroging of een verstopte plasbuis. Een urineonderzoek en echo van de buik zijn vaak goede vervolgonderzoeken om de oorzaak, beste behandeling en prognose te bepalen.

Leverwaarden (ALT, AF, GGT, galzuren, ammoniak, bilirubine)

De leverwaarden kunnen informatie geven over schade aan de lever, galblaas en galwegen. Maar sommige waarden, zoals alkalisch fosfatase (AF), zijn niet erg specifiek voor de lever/galwegen. Zo kan de hoge waarde ook komen door een aandoening van het maagdarmkanaal, stofwisselingsproblemen of medicijnen. De ernst van de bloedafwijkingen zeggen meestal niets over de ernst van de ziekte. Om daar meer over te zeggen is verder onderzoek nodig, zoals een echo van de buik en biopten van de lever.

Eiwitten (albumine (ALB) en globuline (GLOB))

Albumine is een belangrijk transporteiwit in het lichaam. Een verhoogde concentratie albumine is meestal het gevolg van uitdroging. Een tekort aan albumine is vaak het gevolg van verlies via de darmen of de nieren.

Globulines bestaan uit verschillende groepen ontstekingseiwtten. Lage waarden kunnen onder meer het gevolg zijn van verlies van de darmen of een slechte afweer. Hoge waarden worden gezien bij ontstekingen, infecties en tumoren. Als de dierenarts een eiwitspectrum aanvraagt, kan onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende groepen globulines. Dit kan helpen bij het vaststellen van de meest waarschijnlijke oorzaak, zoals een infectieziekte of kanker.

Suiker (glucose, fructosamine)

De belangrijkste reden om glucose (GLU) te meten is om suikerziekte vast te stellen. Het bloedglucose is dan verhoogd. Met name katten staan erom bekend dat ze door stress tijdelijk een hoog bloedglucose kunnen krijgen, zoals bij stress rondom een bloedafname. Fructosamine is een combinatie van een eiwit en suiker. Het voordeel van fructosamine is dat het niet wordt beïnvloed door acute stress. Fructosamine geeft een betrouwbare weergave van de suikerspiegel van de afgelopen 2-3 weken. Bij suikerziekte verwacht je dus meestal dat beide waarden verhoogd zijn, terwijl bij acute stress alleen glucose verhoogd zal zijn. Een laag glucose betreft in veel gevallen een meetfout, maar kan ook worden gezien bij o.a. pups/kittens, kleine hondenrassen (toy breeds), (bloed)vergiftiging en tumoren (bv. insulinoom). Afhankelijk van de oorzaak zal fructosamine in deze gevallen wel of niet verlaagd zijn.

Bloedzouten (natrium, kalium, chloor)

Afwijkingen in kalium komen het meest voor. Een tekort aan kalium ontstaat vaak door verlies via het maagdarmkanaal (met name braken en diarree) of de nieren. Een verhoogd kalium kan eveneens ontstaan door aandoeningen van het maagdarmkanaal en de nieren. Een combinatie van verhoogd kalium en verlaagd natrium kan duiden op de ziekte van Addison.

Mineralen (calcium, fosfaat)

De hoeveelheid calcium en fosfaat wordt in het lichaam in balans gehouden door de bijschildklieren, de nieren, het maagdarmkanaal en het botweefsel (waar het overgrote deel van calcium en fosfaat is opgeslagen). Afwijkingen in calcium en fosfaat zijn dan vaak ook het gevolg van ziektes in één van deze organen. Sommige tumoren, zoals een anaalzaktumor en maligne lymfoom, kunnen een stofje produceren dat lijkt op het bijschildklierhormoon (PTH related peptide) en op die manier een verhoogd calcium veroorzaken. Calcium is in het bloed voor een groot deel geïnactiveerd gebonden aan eiwit. Om een beter beeld te krijgen van het calcium dat daadwerkelijk actief is, kan geïoniseerd calcium worden bepaald.

Schildklierhormonen (T4, TSH)

Bij oudere katten wordt vaak T4 bepaald om te controleren op een te snel werkende schildklier (hyperthyreoïdie). Een verhoogde waarde bevestigt de diagnose, maar ook een hoog-normale waarde is suggestief voor de ziekte als de kat typische ziekteverschijnselen vertoont. Bij de hond is een te snel werkende schildklier relatief zeldzaam, maar een te traag werkende schildklier komt wel regelmatig voor (hypothyreoïdie). Honden met hypothyreoïdie hebben meestal een lage T4- en hoge TSH-waarde. Variaties hierop komen voor, maar ook tal van andere ziekten en medicijnen kunnen een laag T4 veroorzaken bij honden.

Cortisol

Bij katten wordt dit hormoon zelden getest, maar bij honden is cortisol belangrijk bij de diagnose van de ziekte van Addison en ziekte van Cushing. Cortisol wordt gemaakt door de bijnier. Bij de ziekte van Addison maakt het lichaam weinig/geen cortisol meer aan, terwijl er bij de ziekte van Cushing juist te veel van wordt geproduceerd. Voor de diagnose van ziekte van Addison wordt cortisol gemeten tijdens een ACTH-stimulatietest. Als vóór en na stimulatie erg weinig cortisol wordt gemeten, bevestigt dit de diagnose (op voorwaarde dat er voorafgaand aan de test geen corticosteroïden zijn gebruikt). Om de ziekte van Cushing te bevestigen wordt soms een ACTH-stimulatietest, maar vaker een lage dosis dexamethason suppressietest uitgevoerd. In Nederland wordt vaak ook een alternatief uitgevoerd, de hoge dosis dexamethason suppressietest. Dan wordt het cortisol meestal in urine gemeten in plaats van in bloed.

Alvleesklier (lipase, amylase, PLI, TLI)

Lipase en amylase zijn erg onbetrouwbare waarden en voegen weinig toe bij het stellen van een diagnose, maar bij sommige laboratoria zitten ze nog standaard in een pakket. De PLI-waarde (pancreas lipase; soms ook fPLI voor de kat en cPLI voor de hond) kan worden gebruikt om een alvleesklierontsteking vast te stellen. De PLI-waarde is erg gevoelig (waarde is vrijwel altijd verhoogd bij alvleesklierontsteking), maar niet extreem specifiek (kan ook verhoogd zijn bij bijvoorbeeld een darmontsteking). Daarom adviseer ik om ook een buikecho te laten maken om de alvleesklier en andere buikorganen nader te onderzoeken.

De TLI-bepaling is de beste test om exocriene pancreas insufficiëntie (EPI) vast te stellen: de waarde is in dat geval (zeer) laag. EPI wordt vooral gezien bij honden.

Vitamine B12 en foliumzuur

Een tekort aan vitamine B12 is meestal het gevolg van een chronische darmontsteking, maar wordt soms ook gezien als aangeboren ziekte (Imerslund-Gräsbeck syndroom), aandoening van de alvleesklier (exocriene pancreas insufficiëntie) of onjuiste voeding. Afwijkingen in foliumzuur zijn eveneens vaak het gevolg van een darmziekte (onvoldoende opname) en/of verstoorde darmflora (bacteriën produceren extra foliumzuur). Een vitamine B12-tekort moet worden behandeld met supplementen. Een tekort aan foliumzuur hoeft over het algemeen niet te worden aangevuld, op voorwaarde dat de onderliggende oorzaak wordt behandeld.

Rode bloedcellen (hematocriet, hemoglobine, reticulocyten, etc.)

Rode bloedcellen zorgen ervoor dat zuurstof van de longen naar de rest van het lichaam gaat. Met erytrocyten (RBC) wordt het totale aantal rode bloedcellen aangegeven. De hematocriet (Ht, HCT, PCV) geeft aan welk percentage van het bloed uit rode bloedcellen bestaat. Als er teveel rode bloedcellen zijn, is er meestal sprake van uitdroging en in zeldzame gevallen teveel aanmaak van rode bloedcellen. Een tekort aan rode bloedcellen wordt bloedarmoede of anemie genoemd. Door te kijken naar het aantal reticulocyten (jonge rode bloedcellen), kan worden gecontroleerd of het lichaam bezig is om de bloedarmoede zelf te corrigeren. Bij ernstige bloedarmoede wordt soms een bloedtransfusie aangeraden, maar veel belangrijker nog is om de onderliggende oorzaak vast te stellen en te behandelen. Dieren bij wie de bloedarmoede langzaam is ontstaan zijn vaak stabieler met een lage waarde dan dieren bij wie de bloedarmoede in een heel korte tijd is opgetreden. Een lab rapporteert soms ook nog andere waarden, zoals hemoglobine, MCV, MCH, MCHC en afwijkende uiterlijke kenmerken van de rode bloedcellen. Dat kan allemaal helpen bij het begrijpen van de onderliggende oorzaak.

Witte bloedcellen (leukocyten, granulocyten, eosinofielen, lymfocyten, monocyten)

Met leukocyten (LEU of WBC) wordt het totaal aantal witte bloedcellen aangegeven. De meeste daarvan zijn neutrofiele granulocyten (NEU), de cellen die samen met monocyten (MONO) als eerste in actie komen tegen ziekteverwekkers. Het “geheugen” van het immuunsysteem zijn de lymfocyten (LYM), die antistoffen kunnen produceren. Eosinofiele granulocyten (EOS) zijn gespecialiseerde witte bloedcellen die vaak bij allergieën en parasitaire infecties geactiveerd worden. De meest gebruikelijke reden voor een gestegen aantal witte bloedcellen (leukocytose) is een ontsteking of infectie. Als één type witte bloedcel extreem gestegen is, moet ook rekening worden gehouden met een vorm van leukemie. Een tekort aan witte bloedcellen (leukopenie) wordt soms gezien bij heel acute en heftige ontstekingen/infecties, omdat alle witte bloedcellen dan uit het bloed naar de ontstekingshaard worden getrokken. Een andere reden voor een (langdurig) tekort aan witte bloedcellen kan passen bij een afwijkend immuunsysteem, aandoening van het beenmerg of een infectieziekte zoals kattenaids (FIV).

Bloedplaatjes (trombocyten)

Bloedplaatjes zijn een belangrijk onderdeel van de bloedstolling. Als je huisdier een wondje heeft, zorgen de bloedplaatjes als het ware voor de eerste pleister. Vooral een tekort aan bloedplaatjes (trombocytopenie) kan gevaarlijk zijn, omdat een dier dan gemakkelijker kan bloeden. Dit uit zich vaak in heel kleine puntbloedinkjes en blauwe plekken. Er kan sprake zijn van zwarte ontlasting als de bloedingen in de maag of dunne darm optreden. Oorzaken voor trombocytopenie zijn divers. Een belangrijke oorzaak om uit te sluiten is een meetfout. Met name bij katten kunnen de bloedplaatjes gemakkelijk samenklonteren in de bloedbuis, waardoor de machine onterecht een te lage waarde aangeeft. Dit kan worden opgelost door handmatig een bloeduitstrijkje te bekijken.

De context is alles

Een bloedonderzoek is een momentopname. Daarnaast is het belangrijk om niet naar één getal te kijken, maar naar het gehele plaatje. Voelt jouw huisdier zich ziek of niet? Was hij nuchter op moment dat het bloed werd geprikt? Bovendien is het belangrijk om niet alleen naar de afwijkingen te kijken, maar ook de normale waarden en het verloop in de tijd. Al die factoren bepalen of een bloeduitslag zorgwekkend is of niet.

Heb jij bloeduitslagen ontvangen en wil je ze graag voorleggen aan een internist voor analyse? Tijdens een digitaal consult kunnen we er samen doorheen lopen. Ik leg uit wat belangrijk is, wat niet en welke vervolgstappen echt noodzakelijk zijn.